Modellen en scenario’s

Kort wordt ingegaan op het doel van modellen en de tekortkomingen daarvan in het algemeen en specifiek voor de warmtevisies en de RES. Omdat processen rond het klimaat nieuw zijn en er veel innovaties plaats vinden wordt vervolgens ingegaan op scenarioplanning die daar beter geschikt voor is dan voorspellende modellen. Er wordt afgesloten met een voorbeeld.

Modellen proberen te voorspellen  

Economische modellen geven een theoretische weergave van een economisch proces en is opgebouwd uit een verzameling variabelen en logische en kwantitatieve relaties. Net als in andere vakgebieden zijn modellen vereenvoudigde kaders, ontworpen om complexe processen voor te stellen. Het CPB is opgericht in 1945 met Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen als directeur (top econoom). Vakeconomen publiceerden continu over die modellen die steeds werden aangepast, maar toch blijven goede voorspellingen uit als je ze echt nodig hebt in een crisis.

Reden is turbulentie in de omgeving waardoor op korte termijn de voorspelling niet klopt (veronderstellingen en variabelen kloppen niet). Aan een termijn van 30 jaar waagt niemand zich. Toch wil de warmtevisie en de RES voorspellingen doen voor investeringen met een looptijd van 30 jaar, op basis van modellen waarmee veel minder ervaring is dan die van het CPB en met veel minder relevante variabelen. En dat in een turbulente omgeving die onder druk staat (veel innovaties).

Het bestuderen van de werkelijkheid begint bij het gezichtspunt of perspectief, de bril die je opzet. Met wat je door die bril ziet beslis je wat je opneemt in het model. De vraag is of de bril voor de modellen voor een warmtevisie voldoende varabelen bevatten om met de uitkomsten verregaande en kostbare beslissingen te rechtvaardigen. En wat is de urgentie om sommige beslissingen nu al te nemen. Hoe later beslissingen worden genomen, hoe meer voortschrijdend inzicht en kennis van het verloop van de innovaties. Plan wanneer je wat moet beslissen ook al is het vaak prettiger in één keer te beslissen. Dan hoeven beleidsmakers niet meer na te denken en kunnen uitvoerders lekker aan de gang gaan. Bedenk echter dat er tekortkomingen kunnen zijn in modellen en je sommige dingen domweg nog niet weet. Te vroeg verregaande beslissingen nemen (in bijvoorbeeld infrastructuur) kan zeer nadelig uitpakken voor de toekomst.

Tekortkomingen van de modellen.

De warmtekaarten uit modellen presenteren de eventuele mogelijkheden voor warmtenetten, all electric etc. in wijken op basis van gemiddelden. De praktijk is dat geen woning gelijk is en dat één bepaald type pand of blok huizen beter af is met een oplossing die afwijkt van het gemiddelde. En niet elke bewoner wil aangesloten worden op een warmtenet waar het model dat wel suggereert. Bijvoorbeeld omdat die bewoner net zelf woningaanpassingen deed die beter passen bij een ‘all-electric’ of om andere redenen. Verder zijn er nieuwe innovaties onvoldoende meegenomen in de modellen.

  1. Een Berenschotrapport, stelt in het kader van RES; ‘Door zonnewarmte mee te nemen in deze plannen wordt de ruimtelijke en financiële impact voor zowel de eindgebruiker als de maatschappij minder’. (in kader van PVT; zonnepanelen die gelijk warmte leveren)
  2. PVT voorkomt geen netverzwaring, maar dat kan met decentrale warmteopslag, op particulier niveau, wat nu in ontwikkeling is (Solar Freezer en chemische opslag bij TNO). Ook positief als straks de salderingsregeling vervalt (Topsector MMIP 4)
  3. Uitgaande van de omschrijving van o.a. Caldomus (om benadering te krijgen) zijn in de berekeningen voor all electric kosten meegnomen voor;
    • verzwaring van leidingen van transformatoren
    • Een elektriciteitsprijs van €0.18 (prijs 2016)

Geen rekening is gehouden met eventuele innovaties zoals;

  • Opslag warmte en via accu’s
  • Opslag voor elektrisch in elektrische in auto’s
  • Smart grids
  • Lagere energieprijs voor elektrisch en warmte via panelen.

Veel modellen gaan uit van het bouwjaar van de gebouwen en gemiddelden rond energieverbruik. Maar veel bewoners namen al maatregelen en doen dan niet meer mee aan een warmtenet waardoor die collectieve optie relatief duurder wordt voor het lagere aantal deelnemers. Daarbij willen mensen steeds onafhankelijker zijn, zeker van de energieprijzen die worden geregeerd door onstabiele landen en instituties zoals (buitenlandse) energieleveranciers, netbeheerders en andere instituties die na problemen met de afvalcentrale AEB en de warmtenetleiding Rotterdam Leiden een kostbare zaak blijken te zijn.

Scenario’s die rekening houden met ontwikkelingen

De situatie rond energie wordt steeds onvoorspelbaarder. Door de klimaatmaatregelen nemen innovaties rond kleinschalige energiesystemen toe. Burgers worden kritischer op overheden en instituties door falend beleid bij grootschalige projecten. De traditionele vormen van modellen die willen voorspellen zijn in die situaties vaak te rigide. Daarbij zijn de warmtevisie en RES modellen nog onvolwassen. Niet de ‘zekerheden’ uit die modellen, maar juist de onzekerheden moeten centraal staan. Dan krijgen niet alleen de lange termijn hoge investeringen aandacht , maar ook de innovatieve kortere termijn en lagere investeringen die flexibeler zijn in netwerken. Daar past de scenarioplanning.

De methode ontwikkelt meerdere plausibele toekomstbeelden, verkent het verloop van kernonzekerheden en de kansen en risico’s die dit met zich meebrengt. Scenario’s zijn ideaalbeelden voor de toekomst, met elk hun specifieke kansen en opties. Elk scenario geeft een beschrijving van allerlei ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen voor het traject met meestal: een optimistisch scenario voor een situatie en een paar andere opties. Het is belangrijk om dit te blijven monitoren.

Scenario’s voor de energietransitie.

De afbeelding geeft twee trends (kernonzekerheden) in assen voor een scenariobenadering:

  • Welvaartsmentaliteit versus geëmancipeerde mondige burgers
  • Marktontwikkeling grote systemen versus innovatieve kleine internet verbonden systemen

Dat geeft de volgende vier scenario’s:

  1. Grote bedrijven met huur en leasesystemen

Bij de mentaliteit dat zaken wel voor je worden geregeld zullen grote bedrijven blijven investeren  in de energievoorziening met in het verlengde tussenpersonen. Met innovaties zien zij kans hun winst te verhogen door bijvoorbeeld batterijen of andere voorzieningen op huur of lease basis bij burgers te plaatsen (goedkope energie-inkoop bij pieklast). De infrastructurele investeringen zullen hoger blijven omdat men oude investeringen zoals centrales nog wil ‘uitmelken’ (wet remmende voorsprong). Als er wat fout gaat (afval centrale  Amsterdam AEB of warmtenet Rotterdam Leiden; te groot om om te vallen) betaalt de burger via de belasting of de energierekening. Dit leidt tot ongenoegen bij burgers.

  1. Burgerinitiatieven

Burgers investeren in hun woning in decentrale opwekking en opslag, die via het doorlopen van de leercurve goedkoper worden (ze bijvoorbeeld PV panelen). Door die innovaties verlagen burgers hun energierekening en verdienen op de installatie. Door met PVT naast elektrisch ook warmte van het dak te halen en dat op te slaan, is het mogelijk hernieuwbare energie zonder conversieslag (waterstof) en transport m.b.v. een warmtepomp te gebruiken en zijn minder kabels nodig in de infrastructuur. Klimaatvriendelijke oplossingen groeien sneller omdat burgers niet worden gehinderd door hoge investering in het verleden. Als een individuele burger zijn installatie niet goed onderhoudt of voor en te goedkope oplossing kiest, draagt deze zelf de gevolgen en niet het collectief via de belasting of de energierekening. Knelpunt in dit scenario is de investering die burgers nu zelf moeten doen. De overheid kan hier bij de financiering helpen om uitsluiting van burgers te voorkomen. (is geen subsidie zoals bij SDE+, maar mee investeren samen met lening via bank; het geld komt terug)

  1. Coöperaties met burgers

De ontwikkeling van decentrale oplossingen gaan minder snel, worden niet benut of zijn in de situatie minder relevant, maar burgers willen wel deelnemen in energieprojecten om onafhankelijker te worden van grote energieleveranciers. Ze nemen de financiering over voor bijvoorbeeld windturbines of zonneparken door middel van een coöperatie en delen daarmee in de winst. Door de klimaatgerichte motieven zal men bij groene projecten een iets lager rendement op de investering vragen dan bij normale aandelen. Veel van de werkzaamheden worden uitbesteed aan toeleveranciers zoals ook grote commerciële bedrijven doen. Het werkt motiverend voor burgers zelf financieel deelnemer te zijn van een project waarvan bijvoorbeeld de windmolen achter hun huis staat. Maar burgers zonder middelen worden uitgesloten.

  1. Multinationals met centrale systemen

Dit is business as usual. Grote bedrijven willen zo lang mogelijk financieel voordeel halen uit oude vervuilende investeringen en doen daarnaast grote langjarige investeringen met windturbines op zee, opslag in waterstofgas etc. Ze gebruiken een relatief duur distributienet en transportsysteem, waartoe deels de netbeheerder verplicht is die aan te leggen (en die de burger betaalt). Grootschaligheid blijft nodig voor de industrie, waar kleine decentrale opwek en opslag systemen weinig toegevoegde waarde hebben (klimaatdoelen komen daar uit verbeteren productieprocessen). Burgers blijven afhankelijk van energiebedrijven en betalen voor de langjarige minder flexibele systemen. Voor zover er innovaties zijn, zullen burgers en het milieu daar minder snel van profiteren omdat bedrijven eerst nog willen verdienen aan hun (eventueel versneld) afgeschreven oude systemen. Vaak gaan er subsidiestromen naar deze bedrijven.

Van deze vier scenario’s is, zolang innovatieve bedrijven de ruimte krijgen, scenario 2 met burgerinitiatieven de meest waarschijnlijke. De industrie en echt stedelijke gebieden met veel hoogbouw naast een vuilverbranding zal niet profiteren van deze trend. Restwarmte is dan al goedkoop en infrastructuur is in die gevallen met beperkte afstanden relatief minder kostbaar. Burgerparticipatie zal daar om technisch economische redenen beperkt blijven tot coöperaties die meer vrijheden creëert om energie in te kopen.

In Heiloo lijkt scenario 2 de economisch het meest geschikt als niet stedelijk gebied met weinig hoogbouw. Daarbij is het gemiddelde inkomens en vermogens niveau van de bewoners zodanig dat er mogelijkheden zijn voor financiering van nieuwe ontwikkelingen. Het gemiddelde opleidingsniveau lijkt voldoende voor emancipatie. Dat neemt niet weg dat maatregelen nodig zijn om uitsluiting te voorkomen in vormen van goede financieringsregelingen. Tot slot dient er een gericht beleid te zijn op de emancipatie rond klimaatdoelen. Als burgers pas mondig worden op het moment dat ze merken dat de dure leidingen de grond in gaan is het te laat.

Scenario’s

Scenarioplanning. Krijg grip op de turbulente omgeving

Scenario’s ergie in de gebouwde omgeving algemeen met filmpje

Scenario’s energie in de gebouwde omgeving deel 1

Scenario’s energie in de gebouwde omgeving deel 2

Scenarioplanning kamer van Koophandel

De innovator